“Buiten spelen was niet voor mij weggelegd, ik was bij lange na geen atleet en mijn kledingkeuze was op z’n zachtst gezegd opvallend te noemen.”

titel-verhaal-kris

‘Boekenwurm!’, ‘Brillenjood!’, ‘Stuutje!’. Ik had namen genoeg, maar mijn echte naam hoorde ik zelden van mijn klasgenoten uit groep 7. Ik was een typische ‘kneus’: bril met jampotglazen, een gigantisch martelwerktuig in mijn mond wegens schots-en-scheef gebit, pluizig blond haar dat bij vochtig weer een geheel eigen leven leidde. De kuif was in die tijd hot als hairdo, maar als ik foto’s van mezelf bekijk was het een duidelijke ‘not’. Buiten spelen was niet voor mij weggelegd, ik was bij lange na geen atleet en mijn kledingkeuze was op z’n zachtst gezegd opvallend te noemen. Al had ik het gewild, dan nog paste ik niet tussen, bij of met mijn klasgenoten. Ik herinner me het harde gefluister van een vriendin van mijn ouders: “Ik zou er maar een keer wat aan gaan doen. Want dat is niet gezond hoor, die dochter van jullie. Altijd alleen, de hele tijd met haar neus in de boeken. Veel te serieus voor haar leeftijd.”

 Toch was ik verre van ongelukkig. Ik had ouders die me liefhadden en die trots op me waren. Ouders van wie ik mocht zijn wie ik was, zonder voorbehoud. Dat gaf me zelfvertrouwen en moed. De moed om onconventioneel mezelf te zijn. Het liefst zat ik in een hoekje, alleen, weggedoken in een boek. Al vanaf groep 4 verslond ik er minimaal 5 per week en verbond me vol overgave met de personages die langskwamen. Ik identificeerde me met ze, was net zo cool, onverschrokken, mooi of geliefd. Of herkende me juist in hoe solitair ze waren, hoe gepassioneerd anders, hoe vol verwondering over de wereld om hen heen. Al snel begon ik alle inspiratie die ik in boeken had opgedaan te vertalen in het schrijven en uitspelen van mijn eigen verhalen. Thuis, op zolder, was ik non-stop aan het graaien in de verkleedkist. Films, tekenfilms en boeken: ik mixte alles en probeerde het vorm te geven in mijn eigen verhaallijnen. Het waren misschien geen echte mensen, mijn personages, maar ze kwamen hoe dan ook uit mij. Als fantasie en werkelijkheid elkaar kruisten: dan was ik op mijn gelukkigst.

De zolder werd een playbackshow in de aula, de aula werd de jeugdtheaterschool, de jeugdtheaterschool werd het toneel op de middelbare, de middelbare werd de toneelacademie. Ik speelde, en speelde en speelde. Tot ik niet meer kon. De druk van het presteren voor commissies, het straffe werkschema en het gebrek aan lichtheid op de academie deden me de das om. Ik besloot te stoppen. Alles waar ik naar toe had gewerkt, alles wat ik wilde, mijn droom: weg.

‘Alleen wie durft te verdwalen vindt nieuwe paden’

Ik kon niet anders dan verdwaald te zijn. De weg was kwijt en de enige manier om een pad te vinden was om naar binnen te kijken, langdurig en oprecht. Ik ontdekte dat mijn passie voor verhalen in wezen lag in de beweging die ze veroorzaken, zowel in mezelf als bij een ander. Ik kwam erachter dat het niet uitmaakte hoe ik met verhalen bezig was, als ik er maar mee bezig was. Met echte verhalen, met echte mensen, met fantasieverhalen, met personages, op papier of van vlees en bloed. Ik realiseerde me dat ik moest kijken naar mijn eigen verhaal, naar dat meisje van vroeger. Dat lieve kneusje dat onconventioneel koos voor wie ze was. En ik koos haar opnieuw. Vol overtuiging begon ik te bouwen aan haar vervolgverhaal, timmerde ik aan haar pad. En hier sta ik.

Ik ben Kristel Keuren: mede-eigenaar van buro ROOD en Het Storytellingburo. Dit is mijn verhaal: Verhalen versterken.